Eens schreef ik voor ons Rotterdamse muziekduo het nummer "Jeugdherinneringen". Het gaat over het huis van mijn oma en opa in de Rotterdamse Jacob Catsstraat. Het huis waar ik geboren ben en dat inmiddels gesloopt is. Evenals mijn grootouders een nostalgische jeugdherinnering. Couplet:
“Ik ben 3 hoog achter geboren, maar ben ik daarom slecht?
Het was in het Oude Noorden, ik was aan dat huisje gehecht…”
“Ik zie me nog op de zolder, op de schommel staan.
En maakte je teveel herrie dan kwam die ouwe d’r aan…”
Ja die zolder. Ik kijk heel ver in het verleden, ik maak de deur open en zie de draaitrap naar boven. De schommel hangt er nog. Beweegt hij nog? Ja, hij beweegt alsof ik er net vanaf ben gesprongen. Of is het de tocht die in oude huizen tijdens barre winters altijd voelbaar was.
Het kraken van de grond klinkt heel vertrouwd. Als ik me omdraai zie ik het fonteintje. Ja, daar stond de zinken teil en ik zat er met m’n smetteloze Goddelijke hammetjes in, eind jaren 50. Ik zing het refrein:
“Ja, maar een mens wordt steeds ouder,
Vliegen van hot naar her en vergeten dat dan.
Ach, jij als mens wordt steeds ouder,
Ik heb je gewaarschuwd dus dan weet je ervan…”
Ik stel m’n diafragma weer scherp op de zolder. Ik schuif het gordijn weg en zie oma’s bontjas. Ik ruik er even aan en de warmte voor haar stroomt als alcohol door mijn aderen. “Ha, jochie” hoor ik haar gemeend verrast zeggen. Ik haal het houten kastpaneel weg en zie de bouwpakketjes van mijn neef. Ook daar ruik ik nog de lijm "Revell meen ik. Ik pak een oude F27, de Friendship in de volksmond genaamd. 2e couplet:
“Dozen met veel speelgoed, emmers vol geluk.
Moeders en oma’s breiden, de liefde aan één stuk.
En als je was gevallen, op de lange Lindenlaan.
Dan was er altijd een pleister die je zo weer deed staan…” refr.
Op de overloop, waar die schommel hing, had je links en rechts 2 kamertjes. Links sliepen oma en opa. De bel hangt er nog, voor als beneden de telefoon ging. Door het raam kijk ik naar de Snellemankerk waar altijd sneeuw op lijkt te liggen. Het kamertje met het schuine dak, 4 bij 4 m. waar ik, samen met mijn ouders, van 1958 tot ’60 woonde. Recht het kamertje waar ik vroeger vaak sliep en waar ik ’s nachts met een koude neus de maan door het raam naar binnen zag schijnen.
“De knikkers en de bal, de twinkeling in jouw ogen.
Heus het mag nog overal,
het hoort er zo bij, bij jou en bij mij,
en dat heb ik niet gelogen…”
Nee, het huis is er niet meer, soms loop ik er nog wel eens langs maar ik voel me geamputeerd. In gedachte trek ik aan de bel, er wordt opengetrokken. Ik duw de deur met de mooi gepoetste knop open, ik zie dat een koperen roe die de loper op de trap vasthoudt los ligt en ik klem hem weer vast. Ja, die goeie ouwe tijd.. 3e couplet:
“Dat waren de Gouden jaren, ik droom nog vaak terug.
Nu komen de grijze haren, ’t is me eigenlijk wat te vlug.
Maar neem deze mooie gedachten, op reis door het leven mee.
En stop ze naast die foto in je portemonnee..”
Het is mooi om even terug te denken aan deze, lang vervlogen, tijd. Mooie jeugdherinneringen gevangen in een liedje en oh zo herkenbaar.
“Ach, maar een mens wordt steeds ouder,
Vliegen van hot naar her en vergeten dat dan.
ja, jij als mens wordt steeds ouder,
Ik heb je gewaarschuwd dus geniet er maar van…
We spelen het nummer nog weleens voor je, Lief en Leed.
